Bas van Bavel: Stop de grote vermogens, herstel het evenwicht van markt, staat en coöperatie

‘De onzichtbare hand’. Dat was een term die je op de middelbare school bij economie leerde. Adam Smith, werd er dan heel snel achteraan gezegd. Waarmee bedoeld werd dat onze economie gestuurd wordt door een kracht, waarbij iedereen welbewust zijn eigenbelang nastreeft, maar – dankzij de zelfregulerende kracht van de economie – in diezelfde beweging collectief welvaart weet te creëren. 
Bas van Bavel munt de term opnieuw met zijn gelijknamige boek. Nu als beschrijving van hoe en waarom economieën opkomen. En ook weer neergang kennen. Hij begint in Irak, behandelt de Italiaanse stadstaten in de vroege Middeleeuwen. En eindigt in het hier en nu. Waarom dat voor jou als ambtenaar relevant is? Bijvoorbeeld om beter te begrijpen waar (inkomens)ongelijkheid en maatschappelijk protest vandaan komen. Wat je als overheid kunt doen om in te grijpen. En je komt meer te weten over het derde systeem dat naast ‘markt’ en ‘staat’ – volgens Van Bavel - (weer) een veel grotere rol moet spelen: de associatie (of coöperatie).

Bas van Bavel
Beeld: ©Renée de Groot / Renée de Groot
Bas van Bavel: ’Als we de accumulatie van grote vermogens tegengaan, kunnen we zorgen dat de markt ten dienste blijft staan van de open samenleving en welvaart, en niet andersom.’
Wie is Bas van Bavel?
“Het centrale thema van mijn onderzoek is de ontwikkeling van succesvolle samenlevingen: welke institutionele voorwaarden zijn nodig om een goede samenleving op te bouwen?” Zo begint de persoonlijke pagina van prof. dr. Bas van Bavel (Breda, 1964) op de website van de Universiteit Utrecht, waar hij sinds 2007 hoogleraar sociale en economische geschiedenis is. Ook wetenswaardig is dat Van Bavel sinds 2013 lid is van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) en in 2010 gedurende een jaar bestuursvoorzitter was van voetbalclub NAC. Zijn doorbraak naar een groter publiek kwam in 2018 met de publicatie van ‘De onzichtbare hand, hoe markteconomieën opkomen en neergaan’.

Let op: Van Bavel schrikt niet terug voor een stevige uitspraak. Bijvoorbeeld als hij in De Onzichtbare hand vaststelt dat – historisch en economisch gezien – markteconomieën op de langere termijn fundamenteel onverenigbaar zijn met stijging van welvaart, gelijkwaardigheid en brede besluitvorming. Dat is nogal een constatering. Maar eentje die in een tijd waarin bestaanszekerheid een belangrijk thema is, misschien nóg meer aan gewicht wint. Als de analyse van Van Bavel klopt.

‘Alleen in de eerste fase van de vorming van een markt is er sprake van groei, die vooral bij de first movers terechtkomt’

Het basisidee van de vrije markt

Markten brengen ons welvaart. En markten brengen ons vrijheid. Over de eerste opvatting zijn de meeste mensen het wel eens. De tweede opvatting kan al op wat meer tegenstand rekenen. Grond, arbeid en kapitaal – dat zijn de productiefactoren. En ‘markt’ is dan het principe waarmee hulpbronnen uitgewisseld en toegewezen worden. Daarmee is een markt tegelijkertijd ‘een abstract ideaalbeeld’, Aldus Bas van Bavel.
Juist omdat het een ideaalbeeld is, plakken we er ook ideologische beelden op: ‘markt’ is voor de een het summum van vrijheid (Milton Friedman, Friedrich Hayek) en voor de ander het toonbeeld van slavernij (Marx). Maar markt staat voor vrijwel iedereen gelijk aan ‘groei’. Juist aan dit laatste aspect wordt – anno nu – steeds vaker getwijfeld. Door economen als Joseph Stiglitz, Paul Krugman. En door Deirdre McCloskey

Juist dát is de kern van Van Bavels boek. Zijn hypothese: ‘Markten zorgen weliswaar voor flexibiliteit en mobiliteit in de uitwisseling van grond, arbeid en kapitaal, maar [...] markten [zorgen] nauwelijks voor echte groei.’ Alleen in de eerste fase van de vorming van een markt is er sprake van groei. Die vooral bij de first movers terechtkomt. Zijn tweede hypothese: ‘markt zorgt voor sociale polarisatie’, die er vervolgens voor zorgt dat van daadwerkelijke groei geen sprake is. Want diegenen die het meeste profijt hebben van die eerste groeispurt, doen vervolgens hun best om hun positie te consolideren. Tot op het niveau dat de economische groei stagneert, dan wel in elkaar stort. 

‘Uiteindelijk is het een klein deel, en wel het elitaire deel van de samenleving, dat erin slaagt om rijkdom te behouden. Ten koste van (vele) anderen’

Markten in historisch perspectief: Irak

In enkele kloeke hoofdstukken voert Van Bavel ons dan langs een drietal grote economieën. Allereerst die van Irak (ruwweg 800 – 1300). Vervolgens de Noord-Italiaanse stadstaten tussen 1000 en 1500 (met bijvoorbeeld het Florence van De Medici vlak voor en tijdens de Renaissance) en – uiteraard – onze eigen economie van de Lage Landen (van de late Middeleeuwen tot en met de ‘Gouden Eeuw’). 

De afdronk van Van Bavel: uiteindelijk is het een klein deel, en wel het elitaire deel van de samenleving, dat erin slaagt om rijkdom te behouden. Ten koste van (vele) anderen. Dat gebeurt in Irak, waar ‘de leden van deze zelfde elitegroep [...] gigantische winsten binnen [wisten] te slepen door hun posities in de markten te verbinden met de sleutelposities die ze verwierven in het belastingapparaat, de overheidsbureaucratie en de financiële wereld. Deze posities verwierven ze vooral door hun dominante rol op de financiële markten en hun vermogen om geld voor te schieten aan een staat die steeds verder in liquiditeitsnood raakte. Wanneer ze actief werden op de markten, beschikten ze dus niet uitsluitend over grote hoeveelheden grond en kapitaal, maar ook over het vermogen en de politieke slagkracht om de regels van marktuitwisseling optimaal te gebruiken [...]. Deze elites maakten zichzelf meester van de markt om het platteland uit te zuigen.’ 

‘De bloei van de Renaissance is slechts ten dele een teken van economische groei; het is ook juist een teken van decadentie na een voorafgaande periode van groei: de vrucht van een herfsttij’

Markten in historisch perspectief: Italië

Maar dat gebeurt net zo goed in Italië. In de periode 1000 – 1300 maakt Noord-Italië (met de beroemde stadstaten zoals Florence) een geweldige economische groei door. Waarbij grond, kapitaal en arbeid vrijelijk beschikbaar komen. Tussen 1300 en 1400 begint de groei te stagneren, om uiteindelijk vanaf 1400 gedurende twee eeuwen te krimpen: ‘Rond 1600 was het reële uurloon meer dan gehalveerd, ten opzichte van 1400.’

Ook in Italië valt vast te stellen dat vermogen, invloed en macht van de grootstedelijke elite juist wel blijven groeien. In de Italiaanse stadstaten verlokte ‘dit veranderde maatschappelijke klimaat [...] de rijken tot een ongeremd pronken met hun rijkdom. In de Late Middeleeuwen spendeerde het stedelijke patriciaat steeds meer aan de kunsten, aan architectuur, aan bibliotheken en aan geleerden.’ 

Waarbij Van Bavel snedig opmerkt dat ‘de bloei van de Renaissance [...] dus slechts ten dele een teken van economische groei’ is. Sterker nog: ‘Het is in andere zin juist een teken van decadentie na een voorafgaande periode van groei: de vrucht van een herfsttij). Van de toenemende vraag van de elite die hier het gevolg van was, profiteerde dus slechts de stedelijke nijverheid op het gebied van luxegoederen, waar weinig ruimte was voor schaalvergroting of stijgende arbeidsproductiviteit, terwijl de economie als geheel achteruitging.’ Zo bekeken, stelt Van Bavel vast dat eenzelfde proces valt waar te nemen, als in Irak: uiteindelijk stagneert de economie.

‘Heel veel mensen in zeventiende-eeuws Amsterdam waren volslagen verpauperd’

Markten in historisch perspectief: de Nederlanden

Ook Nederland (in de Gouden Eeuw) ontkomt niet aan de kritische blik van Van Bavel. De Lage Landen hadden een prima (sociale) uitgangspositie: Bijvoorbeeld in Friesland, maar ook in Atrecht en in de Kempen was er sprake van zelforganisatie van boeren. Soms in de vorm van districten (in Friesland), soms in de vorm van gilden. Of bij waterbeheer. Ook waren boeren vaker bezitters van hun eigen grond. Ook rechtsgelijkheid was (vaak) beter geregeld dan elders: vanaf de 13de eeuw werd de overdracht van gronden ook steeds vaker vastgelegd in notariële akten (waar dat in andere landen nog steeds door feodale heren gebeurde).

Maar net als in Irak en Italië begon de welvaartstijging vanaf het midden van de 16de eeuw zich meer en meer te concentreren. Ook in de Nederlanden startte ‘het dubbele proces van accumulatie (van grond, kapitaal en arbeid) en maatschappelijke polarisatie.’ En constateert Van Bavel dat de 17de eeuw weliswaar als de Gouden Eeuw bekend staat, maar dat tegelijkertijd vanaf 1620 de economische groei begint af te vlakken. Sociaal gezien komt die groei dan al niet meer bij de grote delen van de samenleving terecht: ‘Heel veel mensen in zeventiende-eeuws Amsterdam waren volslagen verpauperd.’

Vanaf de 18de eeuw schetst Van Bavel hoe eerst Engeland, en vervolgens (na de Amerikaanse Revolutie) in de 19de eeuw langzamerhand Amerika de grootste economie ter wereld wordt. Waarbij de groei aangewakkerd wordt door (relatieve) vrijheden: zo schetst Van Bavel hoe de aanleg van de spoorwegen in de Verenigde Staten groei aanjaagde. Waarbij de staat investeerde. Waarbij arbeiders een (relatief) eerlijk loon geboden werd.

‘Het is niet vanzelfsprekend dat liberale, burgerlijke vrijheden bestand zijn tegen de slijtagekrachten van de markt’

Ontstaan van een wereldwijde economie

Met zevenmijlslaarzen schetst Van Bavel vervolgens hoe in de 20ste eeuw markten internationaal met elkaar verknoopt raken. En er na de Tweede Wereldoorlog een uniek systeem opgetuigd wordt: waarbij groei gepaard gaat met de verdeling van welvaart en welzijn. En de naoorlogse welzijnsstaat wordt opgetuigd. Met, hoe bijzonder in het licht van het voorgaande, een meer evenredige verdeling van kennis, macht en inkomen. Vanaf het einde van de jaren 80 neemt de ongelijkheid echter weer toe. 

Waar brengt ons dit?

Alles overziend, is de vrije uitwisseling van grond, arbeid en kapitaal in eerste instantie een sterke aanjager van groei. Waarbij gaandeweg elites meer en meer zeggenschap, macht en invloed verwerven. Op het punt dat kapitaalverstrekking en de bijbehorende kapitaalmarkt dominant(er) worden, ontstaat er scheefgroei: de accumulatie van kapitaal bij enkelen gaat dan – zeker op den duur – ten koste van velen. Zo ontstaat een marktelite. Met groeiende inkomensongelijkheid en vermogensongelijkheid tot gevolg. Tot op het niveau dat de daadwerkelijke welvaart van enkelen blijft toenemen, terwijl grote delen van de maatschappij er (fors) op achteruitgaan. 

Die scheve verdeling van inkomen en vermogen leidt er vervolgens toe dat ook de politieke macht van enkelingen toeneemt. Die vervolgens ook de markten naar hun hand zetten. Van Bavel gaat zelfs zo ver om te veronderstellen dat het niet vanzelfsprekend is, dat ‘liberale, burgerlijke vrijheden bestand zijn tegen de slijtagekrachten van de markt’. Ook de staat zelf, zo betoogt Van Bavel, delft op den duur tot op zekere hoogte het onderspit: ‘Markten en hun marktelites’ [...] vallen ‘steeds meer samen met de staten en hun staatselites.’ In het verleden slaagde de staat er ‘niet in om deze ontwikkeling binnen de perken te houden, maar werd er een essentieel onderdeel van.’ Waardoor, zo stelt Van Bavel vast, in achtereenvolgens Irak, de Italiaanse stadstaten, de Lage Landen én in Engeland, de economische groei eerst stagneerde, om vervolgens als systeem ten onder te gaan. 

‘Anders dan vroeger, zijn we nu in staat om scherp te zien wat er nodig is’

Is er dan nog hoop?

Als je het boek van Van Bavel leest, dan kan het niet anders dan dat een unheimisch gevoel je bekruipt: the writing is on the wall. Waarom zou onze samenleving afwijken van al die eerdere voorbeelden? Hoe zou je alle maatschappelijke protesten in onze huidige samenleving niet in verband brengen met alle vruchteloze protesten in de nadagen van al die vorige economische systemen, die vervolgens in elkaar donderden? 

En toch. Van Bavel put – als een ware Verlichtingsdenker – hoop én moed uit ons analytisch vermogen. Anders dan vroeger, zijn we nu in staat om scherp te zien wat er nodig is. En dat is, als we Van Bavel volgen, een mix van zorgvuldig, rechtmatig bestuur dat ruimte geeft aan (nieuwe) maatschappelijke verbanden en (zelf)organisaties die – als het ware – ofwel nieuwe (deel)markten kunnen creëren, dan wel bestaande markten rechtvaardiger kunnen maken. Het vraagt om ‘nieuwe vormen en organisaties om grond, arbeid en kapitaal samen te brengen, buiten de markt en de staat om. [...] En het vraagt om het tegengaan van [...] de sleutelfactor [...] de accumulatie van grote vermogens. Alleen zo ‘zorgen we ervoor dat de markt ten dienste van de open samenleving en welvaart blijft staan, en niet andersom.’ 

‘We hebben lange tijd - ook nog in de twintigste eeuw - een heel sterk derde systeem gehad: het associatieve systeem’

Concreter 

En hoe dat er dan concreet uit zou kunnen zien, dat legt Van Bavel helder uit in een interview met FD. Alternatieven naast ons huidige systeem zijn absoluut mogelijk. Sterker nog: ‘in Noordwest-Europa hebben we […] lange tijd, ook nog in de twintigste eeuw, een heel sterk derde systeem gehad: het associatieve systeem. Dat heeft heel andere kenmerken, andere spelregels en werkt wezenlijk anders dan zowel de markt als de staat. Als je kijkt naar een periode van heel sterke welvaartsontwikkeling in Nederland, de jaren 1920 tot en met 1980, dan was in die periode het associatieve systeem het grootste. […].’ 

Een goed voorbeeld daarvan zijn de woningcorporaties (van vroeger): een ‘systeem [dat] is gericht op overleg, het bereiken van consensus. Het werkt door formele organisaties, met regels, met statuten en via rechtsvormen zoals verenigingen, coöperaties en onderlinge verzekeraars. Het heeft leden die zich committeren aan het doel van de associatie.’

Dat kunnen we best, aldus Van Bavel: ‘Nederlanders zijn nog steeds vrij sterk gericht op samenwerking, dus we hebben dat in ons.’